vrijdag 29 juni 2007

Olfar in de verwoeste stad (DEEL I)

Olfar stapte tussen de verwoeste gebouwen. Hij liep snel, alsof hij zich haastte. Snel sloeg hij een zijweg in, keek om, en liep verder. Bij de resten van een klein huisje stopte hij. Hij stapte door de deuropening. Wat niet nodig was, er was een groot gat in de muur. Hij keek rond, was dit het juiste huis? De ruïne bestond uit twee kamers op de gelijkvloers, een kelder en een zolder. De ontvangstkamer, de kamer waar hij nu stond, was totaal verwoest. Twee stoelen lagen kapot op de grond en een derde zakte in toen hij er op ging zitten. Een mooi bewerkte vaas lag in duizend stukjes op de vloer. Het tafelkleed was verscheurd en er was een plek bloed op, de tafel zelf had een poot gebroken. De keuken was minder beschadigd maar er waren niet veel hele potten. Al het bestek was gestolen. En het rek met pannen lag op de keukentafel. De kelder was ondergelopen. De vloer van de zolder was onbetrouwbaar. Door verscheidene gaten in het dak kwamen straaltjes licht. De zolder was bijna helemaal leeg; er stonden alleen een paar kisten: lege.
Doorzoek alle huizen, hij moet hier ergens zijn!" riep iemand. Olfar keek door een van de gaatjes in het dak. Buiten op de straat stonden een tiental Kergews*. Op hun schilden stond het witte teken van Dvoo Rak. Waren ze op zoek naar hem? Waarschijnlijk. Er is niemand anders in de buurt, dacht Olfar. Beneden viel er een pot, één van de Kergews was de keuken aan het doorzoeken! Straks zouden ze ook naar de zolder komen! Wat nu? Hij staarde naar buiten, door de grote holte in het dak. Wat nu? De ladder trilde, ze kwamen naar boven!

*Kergews: De Kergews zijn de soldaten van Dvoo Rak, meestal ingezet om politieke vijanden te vernietigen of andere mensen die hem schade zouden kunnen berokkenen.